Alle leerlingen zouden per schooljaar 120 uur per school moeten besteden aan extracurriculaire activiteiten. En de overheid moet structureel geld geven aan maatschappelijke organisaties en bedrijven die zorgen voor een eerlijke start op de arbeidsmarkt.

Over die stellingen debatteerden politici, docenten, schoolbestuurders, non-profitbestuurders en vertegenwoordigers van fondsen gisteren, op dag 3 van de Week van Gelijke Kansen, met elkaar. Het doel: uitvinden of en hoe aanvullend onderwijs een sterk wapen kan zijn in de strijd voor gelijke kansen.

Dat wij geloven in de kracht hiervan, zal geen verrassing zijn. Voor echte kansengelijkheid, denken wij, is het belangrijk dat kinderen toegang hebben tot het sociaal kapitaal van mentoren, rolmodellen en netwerken. Ze moeten zich bewust kunnen worden van hun talenten en interesses, kunnen sporten en ontdekken hoe je gezond leeft. Ze moeten democratische vaardigheden kunnen opdoen als nadenken over je mening en hoe je omgaan met andersdenkenden.

Wat fijn om te merken dat het belang van aanvullend onderwijs werd gezien – waarbij er natuurlijk meerdere wegen zijn die naar Rome leiden, zoals VVD-kamerlid Mariëlle Paul opmerkte. Weten wat er verder allemaal werd gezegd en bedacht? Bekijk onderstaande impressie.

Dank alle deelnemers voor jullie interesse en enthousiasme!
Mei Li Vos, Mariëlle Paul, René Peters, Heleen Cousijn, Janneke Oosterman, Joanne Littooij, Erik van der Ploeg, Claudia Tuhehay, Pinar Korkmaz, Heidi Mollee, Vera Smit, Michiel Bodt, Sandor Stuut, Susanne Nijssen, Angela Bruintjes, Jolanda Brinkman, Marja Lagendijk, Eelke van Dijken, Maartje Mulder, Brecht van Schendel, Hannah Wiegerinck, Marliese Vollebregt, Walter Harent en Nadine Hoen.